Nando Kasteleijn

Student Journalistiek

Meer weten??  
Annemieke Hulstein

Annemieke Hulstein

Student Leraar Basisonderwijs

 

Jeanine Muijs

Student Verpleegkunde

Meer weten??  

16 januari 2012 Nieuwjaarstoespraak Kees Boele online

De Christelijke Hogeschool Ede (CHE) heeft maandag 16 januari haar nieuwjaarsbijeenkomst in congrescentrum De ReeHorst in Ede. Dr. C.P. Boele, voorzitter van het College van Bestuur van de CHE, houdt zijn nieuwjaarstoespraak, waarin hij de strategische koers van de CHE voor 2012 toelichtte. Hij gaat in op de relevantie van de CHE voor de samenleving.

Nieuwjaarstoespraak 2012 
Dr. C.P. (Kees) Boele, Ede,16 januari 2012

Dames en heren, collega’s,

November vorig jaar viel Berlusconi van zijn troon. Diezelfde avond deed de NOS-journaliste verslag vanaf het Piazza Venezia. Ik ga het nu niet hebben over Berlusconi, maar wel over wat er achter dat Capitolijn te zien is, het Forum Romanum. Dat zijn de ruїnes van de tempels, vergaderzalen en triomfbogen van het machtige Romeinse rijk, dat heer en meester was van 750 v.C. tot 500 n.C. Met keizer Gaius Octavianus (27 v.C. – 14 n.C.) begon het echte keizerrijk. Hij creёerde een professioneel leger, deed daarmee vele veroveringen, liet zich omringen door een legertje dik betaalde lijfwachten en noemde zichzelf Pontifex Maximus (opperpriester. In het jaar 27 liet hij zich door de senaat de titel van “Augustus“ aanmeten (als zodanig kennen we hem uit het kerstverhaal). Dat betekent “verhevene”, wat tot dusverre een goddelijke titel was. Op de heuvel Palatijn werd zelfs een altaar gewijd aan zijn goddelijke kracht.
In verband met de vele dure oorlogen moesten de burgers veel belasting betalen. Daarom moesten de keizers natuurlijk ook vertier bieden. Een van de opties was een dagje Colosseum, met ’s ochtends jachtpartijen en de gevechten met wilde dieren en ’s middags de gladiatoren. In de pauze kon je even naar buiten of je bleef zitten voor het pauzenummer: de executies van misdadigers en christenen, d.m.v. het zwaard, het kruis, vuur of de wilde dieren. Polycarpus (160) was zo’n christen. Hij weigerde de Romeinse goden te erkennen en de keizer als god te vereren. Hij werd ter dood veroordeeld en men wilde aanvankelijk de leeuwen op hem loslaten. Toen deze echter niet voorhanden waren omdat de dierengevechten al hadden plaatsgevonden, besloot men hem levend te verbranden. Het vuur verteerde hem echter niet, waarop hij werd onthoofd. Hij behoort nu denk ik tot degenen die volgens Openbaring 6, gekleed in een wit gewaad, wachten op de wraak van God aan hun moordenaars, tot op het moment dat het getal vol is van de anderen die vanwege hun geloof gedood gaan worden (Openbaring 6:9-11). Er wordt kennelijk nog steeds gewacht.
Later maakten de keizers Constantijn en Theodosius van het Romeinse rijk een christelijk rijk. Het “corpus christianum” ontstond, waarin kerk en wereldlijke overheid een eenheid vormden. Constantijn gaf vanaf 313 de christenen alle ruimte en stopte de vervolgingen. Hoewel Julianus in 362 nog wel even alle christen-docenten van de scholen had laten verwijderen, trok Theodosius de lijn van Constantijn door en verbood in 392 alle heidense rituelen en liet de afgodische tempels sluiten. Tot ongeveer 400 regeerde hij als laatste keizer over het gehele Romeinse rijk. Na zijn dood werd het gesplitst en 75 jaar later ging het te gronde.
Waarom vertel ik dit nu? Omdat onze tijd steeds meer gaat lijken op dit Romeinse Rijk, maar dan wel op de vóór-Constantijnse periode en dat het christelijk onderwijs, ook de CHE, daar iets mee moet. Ik licht dit wat toe.

Ten eerste hadden de Romeinen toen veel heidense afgoden, en tegelijkertijd noemden ze christenen “vijanden van de menselijke soort”, zodat ze ook werden vervolgd. In 2012 is dat niet veel anders. De Chinese president verklaarde begin dit jaar dat het christendom een vijandige kracht is en dat de regering niet werkeloos zal toezien hoe het christendom in zijn land groeit. En in Nigeria zijn er volgens schattingen zo’n 300 christenen omgebracht vanwege hun geloof. Maar laten we dichter bij huis blijven. Volgens Dr. Wim Dekker in zijn boek Marginaal en missionair. Kleine theologie voor een krimpende kerk heeft de kerk zich te veel verbonden met de wereldse belangen, waardoor er weliswaar een zekere kerstening heeft plaatsgevonden, maar vooral de kerk zelf is verwereldlijkt, zodat de cultuur het nu ook zonder de kerk af kan. Peter van Rooden zei onlangs tijdens het jubileumcongres van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlandse Protestantisme dat het Nederlandse protestantisme aan het overlijden is: “Alle statistische cijfers documenteren een aanhoudende en catastrofale achteruitgang”. Ik hoorde onlangs van een mevrouw die met haar dochter van 10 jaar oud had gesproken over het gebruik van deodorant na de gymles. In verband met de lucht wil de juf dat er alleen deodorantrollers worden gebruikt, maar dat lukt blijkbaar niet. De dochter wilde eigenlijk helemaal geen deodorant gebruiken. Ze zei tegen haar moeder: “Ja, en we moeten met de kerstviering zelfs een liedje zingen over deo”. Moeder: “En hoe gaat dat liedje dan?” “Nou dat weet ik niet meer, maar Excelsior komt er ook in voor”. Het is een kinderlijke illustratie van het feit dat de vanzelfsprekende macht van het christelijk volksdeel, zeg maar de Nederlandse Constantijnse periode waarin kerk en overheid het goed met elkaar konden vinden, gedomineerd door het CDA, voorbij is. CDA-partij-ideoloog Pieter-Gerrit Kroeger zei vorige week dat de dramatische verkiezingsnederlaag van het CDA in 2010 niet kwam omdat er iets tegenviel, of omdat de lijststrekker het niet goed deed, maar teken was van een cultuurbreuk. Ik citeer: “De Nederlandse politiek is in 2010 fundamenteel veranderd. Het vaste patroon van de grote consensuspartij van het midden, confessioneel van oorsprong, was de basis van waaruit in Nederland politiek werd bedreven. Er werd altijd rond het CDA gegroepeerd en geregeerd. Dat is voorbij. Het CDA is in één klap ene kleine partij geworden. Het Nederland van 2010 is niet het Nederland van 1975 of 1990. De mensen herkennen de taal en de beelden van het CDA niet meer. Veel mensen in de partij en zeker de leidende hebben dat volstrekt niet gemerkt…Tachtig procent van de bevolking weet niet wat Pinksteren is. Zeventig procent denkt dat Pasen iets met een haas en eieren is. Die mensen verstaan ons niet als wij praten over rentmeesterschap.” Einde citaat. Ook dit illustreert dat we meer en meer terecht komen in een tijd zoals die van Augustus, toen er voor christenen niet veel eer te behalen viel en ze vreemdeling en bijwoner waren.

Ten tweede noem ik het huidige intellectuele klimaat. Ook dat lijkt erg op de Romeinse tijd. De Romeinen waren echte Stoïcijnen, die in overstemming met de natuur en de “god” (daemon) in jezelf. Of ze waren Epicuristen, meer op het lichamelijke geluk gericht. Of een combinatie. Beide stromingen kwamen samen in keizer-filosoof Marcus Aurelius, de man op het paard, die Persoonlijke Notities heeft nagelaten. Ik citeer: “ Al het lichamelijke is als een rivier, al het geestelijke droom en illusie. Wat kan ons een veilige doortocht geven? Enkel en alleen de filosofie. En die bestaat erin de god die in je binnenste woont ongeschonden en ongedeerd te bewaren. Dit is immers de hele kwestie: je moet de menselijke dingen altijd zien als kortstondig en van weinig waarde, gisteren een beetje slijm, morgen een mummie of een hoopje as. Breng die korte tijd dus door in overeenstemming met de natuur en neem in vrede afscheid, zoals een olijf die rijp geworden is, zou vallen, de aarde lovende, die hem heeft voortgebracht, en de boom dankende, die hem deed groeien. Maar als je merkt dat je terugvalt en het niet klaarspeelt, houd dan moed en trek je terug in een hoekje om jezelf weer meester te worden; of stap zelfs helemaal uit het leven … zodat je in je leven tenminste dit ene ding, er zo uitstappen, hebt gedaan. Wie zondigt, zondigt tegen zichzelf.” Einde citaat. Dat is nou een typische Epicureeër-Stoïcijn, een Epicijn zeg maar. Het waren precies deze twee groepen filosofen die over Paulus zeiden: wat beweert die praatjesmaker toch (Hand. 17)? Onze tijd is precies zo en staat bol van de Epicijnen, die cynisch en venijnig zijn naar het christendom, maar die zelf richtingloos zijn. Ik noem de hersenwetenschapper Dick Swaab met zijn boek Wij zijn ons brein, volgens wie alles materie is. In een interview zei hij over de dood: “Mijn hersenen en andere organen mogen gebruikt worden. Wat er daarna met de rest gebeurt, kan me niks schelen. Zet maar bij de vuilnisbak, roep ik altijd.” Meer verfijnd heet het postmodernisme. De Franse filosoof Lyotard (1924 – 1998) heeft deze term bedacht en omschreef het eenvoudig als volgt: het einde van de grote verhalen. Er bestaat geen waarheid of een hogere zin of betekenis. Er is alleen maar jouw en mijn perspectief en het komt er op aan dat we redelijk met elkaar praten. Maar weg met alle waarheidsclaims. Ik laat u een fragment horen van een filosoof, Richard Rorty (1931 - 2007), die dit kraakhelder uitlegt. Het geeft heel goed weer wat het huidige intellectuele klimaat is.

Als er geen hogere waarheid is, alleen maar Epicijns geluk, dan heeft dit natuurlijk ook zijn weerslag op het maatschappelijke en morele klimaat. We kunnen gerust zeggen dat het anno 2012 moreel net zo is als in het Romeinse rijk: geen “cogito ergo sum” (ik denk dus ik ben), maar “libido ergo sum”. Het Rijk kenmerkte zich volgens kenner professor Fik Meijer door politieke intriges, eerzucht, hebzucht en leugens en ging ten onder aan moreel verval, verlies van klassieke deugden en slecht financieel beleid. Dit lijkt veel op de situatie vandaag, in meerderlei opzicht. Enkele aanwijzingen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau publiceerde vorig jaar een rapport waarvan de titel de Romeins-getinte stemming in Nederland treffend illustreert: Stemming onbestemd. Het signaleert een negatieve stemming over ons land, gekenmerkt door de paradox “met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht”. Een treffende illustratie is ook het boek Zucht van de psychiater en directeur van een verslavingskliniek Bram Bakker. Het gaat over de mateloosheid, drankzucht, vraatzucht en vooral de hebzucht in onze samenleving. Vooral in de sport loopt het volgens hem uit de hand. Mensen zijn niet meer te stoppen in hun ambities en begeerte naar succes, medailles en records. Hij werkt veel met gevallen topsporters, die hun toevlucht hebben gezocht in drank en drugs omdat ze niet meer tegen de druk van het presteren bestand waren of simpelweg omdat ze aandacht zochten. En in de financiële wereld is het klassieke streven naar het “summum bonum” (het hoogste goed) op het moment vervangen door het “summus bonus” (de hoogste bonus). MKB-zakenvrouw van het Jaar 2011 Angelique Paulissen deed pas in de NRC een boekje open over hoe dat ging bij ABN Amro. Ik citeer: “Het was één grote speeltuin. Je werkte met getallen waar je geen gevoel meer bij had. Zes miljard omzet per dag. Als we wilden, konden we de beurs op zijn kop zetten. Ik was 22, 23 en iedereen was mijn vriend. Er was altijd veel uit te leggen aan de directie die er niets van begreep. Als ze het dan ongeveer begrepen, dan mochten we het doen. De door doorgeslagen derivatenhandel brak in 2008 de kredietcrisis uit. Er braken enorme gevechten uit om de klanten die de grootste marges opleverden, want die zorgden voor de bonus. Ik verdiende heel veel geld. De helft van mijn salaris bestond uit bonussen. Ze zeggen dat ze een lange termijn relatie met klanten willen opbouwen, maar in de praktijk zijn ze er alleen maar op uit om op de korte termijn zoveel mogelijk aan ze te verdienen.” Einde citaat. “Uw kooplieden waren de machthebbers” wordt in Openbaring 18:23 gezegd over het gevallen Babylon, waarin het draaide om geld, seks en macht.

In de derde plaats lijken we bestuurlijk op de Romeinse tijd. Ik noemde al de machtsstrijd en de hebzucht. Hoe meer de Romeinse keizers buit maakten, des te groter de triomfboog op het Forum Romanum. Het ging wel gepaard met een nerveuze, streng controlerende en inspecterende keizerlijke overheid. De professionele inlichtingendienst van Augustus, met een onduidelijke toezichtsfunctie, was berucht. Thans is het niet anders. De Autoriteit Financiële Markten had in 1999 bijvoorbeeld 90 werknemers, op dit moment 456. Onze oudste zoon werkte jaren lang op zaterdag bij een boer. Toen ik mijn zoon ooit ophaalde was de 85-jarige vader van de boer daar ook en die zei me: vroeger had je een boer en 2 knechten, nu moet de boer het alleen doen en heb er een adviseur, een controleur en een inspecteur bij. Die inspecteurs en controleurs denken net als Lenin: “Dowjerai, no prowjerai”. In het Duits klinkt het ook leuk: “Nichts auf Wort glauben, aufs strengste prüfen”. In de besturing gaat het vooral om controle, toezicht en daarom instrumentele kwaliteit. Ook in het onderwijs worden veel problemen procedureel opgelost, zonder enig goed doordacht inhoudelijk perspectief. Professor Pauline Meurs zei het bijvoorbeeld op een congres over de kwaliteit van lectoraten: bestuurders leggen te veel nadruk op procedurele kwaliteit en te weinig op inhoudelijke. Maar ja, wat wil je, als je geen hoger inhoudelijk perspectief hebt, net als de Romeinen, en als Rorty en alle neoliberalen elke aanspraak op waarheid afkeuren? Strikt genomen kun je dan zelfs niet meer onder-wijzen, alleen nog maar een “leerproces faciliteren”. Door die nadruk op procedurele kwaliteit raken sommige dingen in het HBO op dit moment onherstelbaar verbeterd. En tot overmaat van ramp concludeert het SCP-rapport Overheid en onderwijsbestel van november 2011 dat alle beleidsinspanningen naar aanleiding van de controles uiteindelijk vaak weinig opleveren en dat soms zelfs het tegenovergestelde wordt bereikt van wat werd beoogd. Het neo-liberalisme is de leidende, bijna religieuze ideologie geworden: veel locale autonomie, streng toezicht, de markt als vorm is heilig, zonder inhoudelijk richtsnoer of criterium.

Wat betekent dit alles nu voor de CHE? Dan zeg ik eerst iets over onze christelijke identiteit en kwaliteit (dat betekent letterlijk: hoedanigheid). Een Romeins-getinte tijd stelt aanvullende eisen aan ons onderwijs, omdat wij de huidige generatie opleiden voor een Epicijnse context. Wanneer doe je dat goed? Daarvoor heb je een norm nodig. Voor een christelijke hogeschool moet niet haar (Romeinse) ambitio of die van de sector de norm zijn, maar haar (christelijke) vocatio , dat wil zeggen: Bijbelse, christelijke criteria. Zoek eerst het Koninkrijk, dan wordt de rest ons “bovendien geschonken”. Anders ben je eigenlijk een gewone hogeschool met een kerstboom of in het beste geval een kerstviering. Over die hogere criteria denken we eigenlijk te weinig na in het christelijk onderwijs. In een corpus christianum hoeft dat ook niet, dan staat daar geen druk op. Maar nu moet het wel. De apostel Johannes werd in het jaar 90 door keizer Domitianus (een man die zich liet aanspreken als “dominus et deus”, heer en god) verbannen naar het eiland Patmos, vlakbij de Sunair-bestem Kos. Hij had uitzicht op 7 steden in het huidige Turkije, destijds onderdeel van het Romeinse rijk, waar de apostel Paulus christelijke gemeenten had gesticht. Johannes kreeg een visioen van Christus en moest opschrijven wat hij zag. Dat is het bijbelboek Openbaring geworden, met onder andere brieven aan die 7 gemeenten. Die bevatten enkele mooie complimenten, die ook voor de CHE kunnen gelden: “ik weet uw werken en inspanning, uw volharding … uw liefde, geloof en dienstbetoon, en uw laatste werken, die meer zijn dan de eerste.” Maar er staat ook 360-graden feedback in. “Ik heb tegen U dat hij uw eerste liefde verzaakt hebt. Gedenk van welke hoogte gij gevallen zijt en doe weer uw eerste werken… .Wees wakker en versterkt het overige, dat dreigde te sterven.” Ik zeg niet dat dit zomaar geldt voor het christelijk onderwijs of de CHE in het bijzonder. Maar wel is de vraag of wij voldoende stil staan bij deze criteria van Boven. Is ook het christelijk onderwijs soms niet te veel bezig om te voldoen aan de wereldse criteria van de sector, OCW, NVAO, de wetenschap enz., maar die niet het wezen van onze roeping en missie raken? Vriendschap met de wereld is vijandschap tegenover God, zegt Jacobus, vrij ongenuanceerd, wat het natuurlijk ook is. Misschien is het woord ”grondslag” wel te comfortabel, te statisch. Een ander fundament dan er ligt, Christus zelf, kan niemand leggen, zegt de Bijbel, ook de CHE niet. Augustinus, die in de Romeinse tijd leefde, vergeleek de kerk met een ark die ronddrijft. Die metafoor is dynamischer en past misschien beter bij onze tijd dan die van een stoer gebouw op een zelf gemaakte grondslag. Een christelijke school moet als ark in plaats van bouwwerk iets toekomstgerichts houden, iets christelijk-flexibels, inspelend op wat er aan de hand is. In 1 Tim. 6 is “grondslag” dan ook iets wat weggelegd wordt voor de toekomst. Daarom kunnen we beter spreken van een anker dan van een grondslag, net zoals “vocatio” (roeping) een betere term is dan het statische en psychologische begrip identiteit. Daarom heet deze dag “vocatiodag”. Een anker zoekt vastheid in de enige grond, Christus zelf. Juist nu moeten we Hem volgen en ons afvragen wat nu nodig is. Misschien moet de CHE het anker lichten en een stukje verder varen, met het oog op de drenkelingen. Overal kunnen we immers het anker uitwerpen. Misschien moet het christelijk onderwijs wel keuzes maken die niet helemaal meer passen in de criteria van Den Haag en de controleurs, maar wel bij die van Boven. Laat ik er meteen maar twee voorstellen.

Eerst de inhoud van ons onderwijs. De CHE moet een pakket algemene christelijke vorming, een soort “Christian liberal arts” aanbieden, verplicht voor elke student, met als doel om kennis en vaardigheden te ontwikkelen om in een Epicijnse samenleving zoutend zout te zijn. Het is de CHE-variant van de zeven klassieke “artes liberales” die het hart vormden van het klassieke Europese hoger onderwijs. Bij hun diploma krijgen CHE-ers al de Belijdenissen van de kerkvader Augustinus kado, die wist wat het was om in het Romeinse rijk christen te zijn en die zelf ook zo geschoold was, maar dat kadootje is niet genoeg en is te vrijblijvend. Wij moeten ze gewoon leren onze tijd te doorzien, anders denken ze bijvoorbeeld straks nog dat post-modern een ander woord voor e-mail is. Dit pakket Christian liberal arts houdt in: het lezen van kerkvaders (Tertullianus bijvoorbeeld), welsprekendheid, logica, geschiedenis, theologie, muziek, bijbelstudie, filosofie, maar ook man-vrouw-verschillen, goede manieren. Juist om praktijkgericht te zijn als CHE-er, moet je goed algemeen gevormd zijn. Bij de Grieken en Romeinen waren toegepaste vakken ten slotte ook voor de slaven bestemd. Voor zo’n vormingspakket is al veel mooi materiaal beschikbaar, ook van CHE-ers. En we doen er ook al aan. Maar het mag breder en dieper. Studenten zeggen mij zelf trouwens geregeld dat ze meer uitdaging willen en wat minder reflectie en werkstukjes. Laten we die wens honoreren, anders gaan onze alumni elkaar straks nog net zo begroeten als die twee coaches die elkaar tegenkwamen: hoe gaat het mij, met jou gaat het goed. Deze keuze voor Christian Liberal Arts kan mijns inziens zelfs onze positionering in het kader van de Strategische Agenda van staatssecretaris Zijlstra en de doelmatigheidstoetsing versterken. De CHE gaat wat mij betreft hierop meer inzetten en niet op sterke groei, hyperige nieuwe opleidingen of associate degrees, waarin je dat nooit kwijt kunt. Trouwens ook op internationale joint degrees, maar dan niet met voor de hand liggende instellingen op leuke bestemmingen, maar juist met partners die weten wat het is om in een a-christelijke cultuur christelijke hogeschool te zijn, zoals in Rusland, Japan, Indonesië. Dáár leer je wat van en misschien kunnen wij hen ook nog van dienst zijn.

Het betekent ten tweede ook iets voor besturing. Als je zulk onderwijs biedt, laat je zien dat je niet primair een organisatie, maar een institutie bent. Daarin is de persoon geen klant is, de lange termijn belangrijker dan de korte termijn, kwaliteit belangrijker dan kwantiteit en vooral het organische belangrijker dan het procedurele. Maar dan moet de zo’n instelling zo ook bestuurd en gecontroleerd worden. Onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotterdam in 2011 naar HKZ-certificering voor ggz-instellingen leverde twee conclusies op: 1) certificering leidt tot een betere structuur- en proceskwaliteit; maar 2) de onderzoekers konden geen relatie vinden tussen HKZ en de kwaliteit van zorg! Zo duid ik de HBO-crisis: hogescholen zijn organisaties geworden, waardoor de focus van bestuur en toezicht werd verlegd van het hart en de ziel, dat wil zeggen de binnenkant, naar het lichaam, de buitenkant, dat wil zeggen governance, rapportages, aantallen en omvang, managementcontracten, financiën, enzovoorts. Een hogeschool kan er aan de buitenkant (de kant van de controleurs) perfect uit zien, terwijl de ziel eruit is. Veel toezicht is gericht op het voorkomen van fouten aan die buitenkant. Maar het dempt organische kwaliteit en creëert nervositeit, angst om fouten te maken. Jaco van Hoorn, lid van de korpsleiding van de politie Hollands Midden schreef in 2010 een mooi boek, Sturen op vertrouwen. Goed leiding geven aan goed politiewerk . Ik citeer: “Veel politiemensen ervaren vervreemding van hun werk. Leidinggevenden leggen de nadruk op facetten van politiewerk die in de beleving van de politiemensen niet tot de essenties van het werk behoren. Door de resultaatgerichtheid en de managerscultuur gaat de aandacht uit naar wat telbaar is, veel meer dan naar zaken die er voor de politiemensen echt toe doen, zoals mensen helpen bij zware aanrijdingen, vechtpartijen, inbraken, reanimaties en zelfdodingen. In plaats daarvan worden ze aangesproken op het aantal bekeuringen en doorlooptijden van processen-verbaal. Het gevoel ontstaat dat wat hun leidinggevenden tellen, niet de zaken zijn waar agenten na hun werkdag thuis over vertellen, en dat de belevenissen waar ze thuis wel over vertellen, voor de leidinggevende niet tellen. De focus op telbare resultaten verduistert het zicht op de vele andere – vaak veel moeilijkere – taken….Resultaatsturing is misleidend. De misleiding zit hem in het feit dat targets helemaal geen doel zijn… Het aantal teruggebelde aangevers is geen doelstelling… Dat zegt namelijk niets over de vraag of we het op straat veiliger maken… Achter elke target moet een hoger doel zitten.” Einde citaat. Vervang in dit boek het woord politieagent door docent en je hebt nog een goed boek. De belangrijkste dingen van een school zijn niet meetbaar (want dat is de buitenkant), maar wel merkbaar. Daarom pleit ik voor een aanvullende “board of trustees” in het christelijk onderwijs, naar Amerikaans model: een brede groep van 25 belanghebbenden, die houden van de CHE en haar niet toetsen aan de governance-code, maar aan de criteria die met haar missie samenhangen, de binnenkant.

Dit alles dames en heren was het ei dat ik dit jaar hier wilde leggen. Ik roep u, gasten en collega’s, op u bewust te zijn van uw machtige taak en verantwoordelijkheid voor deze generatie die het soms moeilijk heeft in deze Romeinse cultuur, maar ook zo gemotiveerd is. Laten we ook in 2012 ons hart op hen zetten. De CHE is een prachthogeschool, die inspirerend is om voor te werken. Maar ze moet wel een ark zijn die alert rondvaart, met een stevig en beweeglijk anker, verankerd in Christus, het enige fundament, en met een kompas dat gericht is op Hem, de Zon der gerechtigheid. Ik nodig de externe relaties uit om samen met ons actiever en zelfs meer initiërend in het onderwijs en onderzoek betrokken te worden. Wij leiden ten slotte uw kader op en u zit met ons in die Romeinse cultuur.